In de rij voor de griepprik

Gisterenavond liep ik naar de huisartsenpraktijk bij mij in de wijk. Ik was niet de enige. Her en der zag ik al mensen lopen en fietsen met een wit papiertje in de hand, de oproepbrief. Bij de ingang van de praktijk stond dan ook al een hele rij, tot en met en om den hoek. Rijen zijn tegenwoordig langer dan anders vanwege de anderhalve meter afstand die we nu in acht moeten nemen, en zeker bij het halen van de griepprik. Jou zou niet graag een prikje gaan halen tegen de griep en met corona weer naar huis gaan.

Ik sloot geduldig achteraan in de rij. Ik had geen haast en keek een beetje om me heen en achter me om te zien hoeveel langer de rij nog ging worden. Over de griepprik zelf had ik geen vragen en ik was ook niet bang een chip geïmplanteerd te krijgen. Ik begon me wel af te vragen wanneer je iets nog een rij noemt. Maakt de vorm dan nog iets uit of hoeveel tussenruimte er zit tussen de verschillende elementen? Heet het nog een rij als er tien meter tussenruimte is? Vijftig meter? Tweehonderd meter? Bij een concert van Prince en Florence and the Machine stonden mensen soms wel met honderden tegen elkaar aan geplakt voor de ingang. Een rij kon je dat eigenlijk niet noemen en toch heet het wel zo. Eenmaal binnen stond iedereen er weer net zo opeengepakt bij, maar dan noem je het geen rij meer. De vorm, de lengte en de tussenruimte maakt dus niks uit. Waarschijnlijk gaat het dan om de intentie, het doel, de ‘poort’ waar iedereen doorheen wil, of de plek waar je iets wilt meenemen of af wilt geven. Of krijgen, zoals de griepprik en straks een coronavaccin.

Het heeft geen enkel nut, maar dit soort dingen kun je je dan opeens gaan afvragen wanneer je in een rij staat te wachten.

Mens erger je niet poppetjes in de rij