Limburgse woorden

Ook al ben ik dan al dik 35 jaar weg uit Limburg, helemaal weg ben ik er nooit. Soms is er een foto die me herinnert aan mijn fietstochtjes door de Limburgse heuvels, en anders is het wel mijn moeder die me bij ieder bezoek verblijdt met een paar krantenknipsels uit De Limburger. Vaak zijn het columns die in het Limburgs dialect geschreven zijn.

Het kost me soms even wat moeite ze te lezen. Ik ben de vreemde schrijfwijze en de vele schriftekens boven of onder letters niet meer gewend. Het lezen gaat dus langzamer dan gewoonlijk, maar telkens als ik een woord herken en de klank ervan in mijn hoofd hoor moet ik even glimlachen. Een woord als Fibberwari klinkt en oogt lolliger dan februari, en een muulke klinkt net wat dichterbij dan een kusje. Of een koutelebout wat een koprol betekent. De beweging van de koprol zelf lijkt tot uitdrukking te komen in het woord waardoor het meer wordt dan alleen maar een beschrijving van de activiteit, een rol over de kop.

Zo zal iedereen die opgegroeid is in een streek met een dialect zijn eigen taal erg kunnen waarderen. Dialect is meer dan alleen maar een taal vind ik. In de woorden ligt meer opgenomen dan alleen maar de betekenis. Bij een woord als mösje (mussen) zie ik niet alleen maar de vogeltjes maar voel ik ook de zomer en hoor ik het getjilp. Misschien hebben mensen die opgegroeid zijn in bijvoorbeeld Utrecht precies datzelfde gevoel en dezelfde beelden bij het woord mussen. Dat moet haast wel. Ikzelf heb het alleen maar bij mösje en niet bij mussen. Mussen is het woord dat ik gebruik als ik een vogelsoort wil aanduiden, en bij mösje zit ik achterover in een luie stoel in het zonnetje, ruik de bomen en kijk en luister ik naar een groepje heen en weer fladderende vogeltjes.